(zonder titel) (1994)

Het licht schijnt door de gordijnen naar binnen
als teken van een nieuwe dag, een nieuw begin
het felle licht doet pijn aan mijn ogen,
prikkelt de ogen

Je grote bruine ogen kijken me vragend aan
wat wil je?
wat denk je?
wat weet je?

De dag trekt voorbij
het weer, in het begin zo fris en stralend mooi,
is nu deprimerend, zwaar en drukkend
je zit te huilen in een hoek

Ik vraag, toon belangstelling, maar je wijst me af
zegt dat het geen zin meer heeft
dat de schade, de pijn te groot is geworden

‘s Nachts wordt het je te veel
het koude staal is voor jou de enige oplossing
de scherp geslepen kanten van het scheermes
zoeken moeiteloos hun weg door jouw vlees
het maakt een slurpend geluid

De volgende dag schijnt de zon weer
je hebt er geen rekening mee gehouden
dat er mensen zijn die van je houden
je doet veel mensen verdriet
het kwaad is geschied
er is geen weg meer terug uit de duisternis